Over mij.

Schilder, binnenhuisarchitect, fotograaf of filmer. Of toch maar liever muzikant?

Toen ik zeventien was, begon ik samen met schoolvriendje Rudie Essenberg een bandje. The Hooligans noemden we onszelf (zie foto boven). Ik ben de schaapachtig lachende figuur rechts op de foto. De elektrische gitaar is een goedkope EKO. De jongeman in het midden was de zanger. Hij speelt op mijn oude acoustische gitaar met in het klankgat een elementje wat was aangesloten op een oude radio. De ander zal wel de basgitarist zijn geweest. Hun namen ben ik al lang vergeten. Rudi was de drummer. Hij staat niet op de foto, ik probeer hem al jaren tevergeefs terug te vinden. We repeteerden in het koffiekamertje van "Dameskapsalon Essenberg", aan de Vreeswijkstraat in Den Haag. Het bandje heeft nooit opgetreden. Het kwam er niet van, ik ging dat jaar na de zomervakantie naar een andere school.

Rotterdam.

Dat had te maken met het feit dat ik er inmiddels vijf jaar over gedaan om door de eerste drie jaar van de HBS te komen. Het Grotius Lyceum aan de Klaverstraat in Den Haag. En om daar nou nog eens een paar jaar aan toe te voegen... mmm....het liefst wilde ik naar de kunstacademie. Schilder wilde ik worden of fotograaf, filmer misschien. In de fietsenkelder van ons huis, een flat in de nieuwbouwwijk Moerwijk had mijn vader een donkere kamer waar hij mij de belangrijkste principes van had geleerd. Regelmatig ging ik op pad met de van hem geleende fotocamera. De filmpjes ontwikkelde ik zelf en de foto's drukte ik zelf af. Maar de kunstacademie dat ging mijn vader toch te ver: geen droog brood mee te verdienen. Ik moest maar een vak leren. Via een beroepskeuzeadviesbureau viel de keus op een vakopleiding in Rotterdam: de UTS voor Meubilerings- en Houtbedrijven. Je kon er in drie jaar je vestigingspapieren halen om b.v. een meubelwinkel te openen. De meeste leerlingen waren dan ook (zonder uitzondering) de zonen van eigenaren van een meubelwinkel of een meubelfabriek. Je leerde er allerlei praktische zaken: behangen, vloerbedekking leggen, meubels stofferen. Maar ook boekhouden, perspectief- en technies tekenen. Maar ik streefde een hoger doel na: ik wilde dan toch op z'n minst binnenhuisarchitect worden.

Twee jaar op school in Rotterdam Zuid: iedere dag met de trein vanuit station Hollands Spoor in Den Haag. Op kamers wonen kwam niet in me op en bovendien zaten er nog een paar jongens uit Den Haag op dezelfde school, gasten waar ik al snel goed bevriend mee werd. Het was een geweldige tijd, de deuk die mijn ego had opgelopen gedurende de totaal mislukte HBS periode, verdween als sneeuw voor de zon. Ik had weinig moeite met de aangeboden stof en ik leerde er vooral mijn handen te gebruiken. Buiten de school om gaven we zelfs een tijdschriftje uit (ION) met gedichten van leeftijdgenoten (teenagers) wat in de landelijke boetieks van Bruno werd verkocht. De redactie, de opmaak, het drukken (stencillen), alles deden we zelf en het bracht ons in tienertijdschrift OOR en op de radio in het jongerenprogramma MICHON.

Van stam tot meubel, voor meubelen naar "De Stam".

Daarna volgde een jaar stage. De stageperiode bracht ik weer door in Den Haag. De firma Steitner en Bloos was een chique meubelzaak in de Molenstraat, met een assortiment van de betere design meubelen van die tijd: Artifort, Formule e.d. Een echt familiebedrijf waar ik in feite niet veel meer mocht doen dan dagelijks het magazijn en de werkplaats schoonvegen. Het leverde nog een flink probleem op toen de oude meneer Steitner mijn kritische stageverslag weigerde te tekenen. De stagebegeleider uit Rotterdam moest ervoor naar Den Haag komen en praten als Brugman (zo heette hij ook) om de man ervan te verzekeren dat dat soort verslagen nooit openbaar werden gemaakt. De volgende stageplek was vlak om de hoek: op het Noordeinde. Een zeer grote winkel in hartje centrum Den Haag: De Stam. "Van stam tot meubel, voor meubelen naar De Stam" was de slogan. Er werden zgn. TopForm meubelen verkocht, maar ook vloerbedekking en woningtextiel. Er werkten behalve een bedrijfsleider zo'n 7 verkopers en er was een vaste stoffeerder in dienst. Hier werden mijn capaciteiten veel beter gezien en ook aangewend. Ik mocht een grote Ahrend tekentafel kopen, compleet met een heuse tekenmachine. Dit gereedschap stond midden in de winkel. De verkopers konden hun klanten meenemen naar die plek, opdat ik dan razendsnel een plattegrond- en een perspectieftekening van het aan te schaffen interieur kon maken.

Militaire dienst.

Na een zeer onwelkome en vervelende onderbreking van anderhalf jaar als dienstplichtig soldaat, kon ik na mijn diensttijd de draad weer oppakken. Ik had tijdens mijn diensttijd een soort open sollicitatiebrief geschreven aan de grote baas van De Stam: de heer Hoofdman. Hij nodigde me per omgaande uit om in het voorjaar van 1969, zodra ik uit dienst was, me te melden op zijn kantoor in Rotterdam. Het kwam erop neer dat ik zijn persoonlijke assistent werd in de hoofdvestiging van TopForm in het moderne centrum van Rotterdam. Hij zag mij waarschijnlijk als de zoon die hij nooit had gehad, zelf had hij drie (jongere) dochters. Ik werd vrijwel meteen verantwoordelijk voor alle publiciteit, de folders en de advertenties in de dagbladen. Maar ook de belettering van de 7 enorme vrachtwagens van het bedrijf. De etalages van het enorme pand aan de Mariniersweg werden iedere maand naar mijn aanwijzingen opnieuw ingericht. En nog weer een paar maanden later was ik al de filiaalhouder van een klein filiaal met exclusieve meubelen aan de Meent in Rotterdam. De Stam was een enorm bedrijf met vestigingen in Rotterdam, Den Haag en Schiedam. Er werd iedere week meer dan drie ton aan omzet gedraaid. Er werkten 52 mensen. En ik was de jongste werknemer, verantwoordelijk voor van alles en nog wat, maar met nul ervaring.

Opnieuw naar school.

Ik voelde de hete adem van al die snelle verkopers in mijn nek, want dat bleef het belangrijkste: omzet maken. Daar werd je status binnen het bedrijf door bepaald. Ik verkocht niets, ik stond in mijn eigen filiaal en ik wist niet één stoel of tafel te verkopen. Ik voelde dat het op die manier niet goed zou komen en ook al omdat mijn vriendin een universitaire studie zou gaan volgen en waarschijnlijk op die manier uit mijn leven zou verdwijnen, bedacht ik dat het misschien wel raadzaam zou zijn om dan ook maar weer naar school te gaan. Nu misschien naar een opleiding waarmee ik echt binnenhuisarchitect zou kunnen worden. Wie er mee kwam weet ik niet, maar er bleek een school te zijn in Eindhoven, waar je industrieële vormgeving kon studeren. Zelf meubels leren ontwerpen? Dat leek me wel wat. Ik was nog net op tijd om daar eind mei 1969 toelatingsexamen te doen. Wordt vervolgd.