De AKI: mijn verhaal.

De lol van het ontwerpen van thee- en toiletpotten.

Ik deed eindexamen op de AKI (afdeling grafische vormgeving) in 1974. Het was de afsluiting van een bijzondere periode. Ik had 3 jaar samengewoond met een aantal jaargenoten in een groot huis aan de Haaksbergerstraat 27a in het centrum van de stad. Niemand van ons had overigens toelatingsexamen gedaan in Enschede. En dat moet ik eerst maar eens uitleggen. In Eindhoven waren we van de Akademie voor Industrieële Vormgeving (tegenwoordig Design Academy) min of meer weggestuurd door de toen pas aangestelde nieuwe directeur Wim Gilles. We verkasten naar Enschede en werden daar in het derde jaar toegelaten. Als ik het over we heb dan praat ik over Jan van Delft, Marc Volger, Eugene Werners en Eric Toebosch. Maar mijn verhaal begint toch in Eindhoven. Vanaf de studentenonlusten in Parijs in 1968 hadden een groot aantal studenten daar (samen met een flink deel van de docenten) hun best gedaan om van het predikaat "industrieële vormgeving" af te komen. Eindhoven moest een "gewone" kunstakademie worden, misschien met nog een afdeling industrieële vormgeving. Industrie stond in die tijd gelijk aan kapitalisme, vervuiling en uitbuiting. Consumentisme: hadden de mensen nu nog niet genoeg spullen in huis? En wat was overigens de lol aan het ontwerpen van weer nieuwe thee- en toiletpotten?

Brekende takken, een hamer en een bungalowtent.

Toen ik als een brave jongeman, die net de dienstplicht had vervuld, me aan kwam melden aan de Hemelrijken in Eindhoven, stonden daar de revolutionaire leuzen nog op de muren van het overigens aftanse akademiegebouw. Er werden voorlopig geen lessen gegeven, er was het jaar ervoor een heuse staking geweest en het kostte wekenlang overleg tussen direktie, studenten en docenten om tot een werkbare nieuwe vorm te komen. Hoe die vorm er uitzag was voor mij als eerstejaars ondoorgrondelijk en het zou me niet verbazen als vrijwel niemand dat nog wist. Ik wilde graag meubelontwerper worden, maar die wens moest ik nog jaren voor mij houden. Eerst moest er nog een tweejarige propodeuse worden gevolgd, een periode van algemene beeldende vorming. Daarna zou je kunnen kiezen tussen verschillende diciplines: product- of textielvormgeving. Voorlopig viel er niets te kiezen. De opleiding bestond uit klassikaal onderwijs: kleurenleer, perspectief tekenen, materiaalleer, psychologie etc. etc. We kregen les dat wel, maar veel lijn en visie zat er niet in. Alles werd van bovenaf opgelegd, van het natekenen van insecten met een kroontjespen tot het volgen van niet te verteren lessen ontwikkelingspsychologie. Je voelde hoe de verschillende docenten wantrouwig tegenover elkaar stonden.

Revolutionaire elementen.

De revolutionaire elementen waren te vinden in de lessen van muziekdocent Huub ten Hacken, die ons kennis liet maken met de muziek van o.a. Steve Reich (minimal music) en Karlheinz Stockhausen. Samen met Wildenberg, een andere dissidente docent, gaf hij concerten in het land waarin zij gebruik maakten van een bandrecorder, die loops maakte van geluiden van brekende takken en het geklop van een hamer op een frame van een bungalowtent. Samen met wat andere geïnteresseerde studenten bezochten we een dergelijk concert tijdens een muziekfestival in Peer (1970), waarbij 98 procent van het bij aanvang talrijke publiek het binnen 3 minuten voor gehoord en gezien hield.

Frans Zwartjes: Birds.

Een andere subjectieve maar voor mij minstens zo interessante docent was Frans Zwartjes. Een experimentele filmmaker, in 1970 winnaar van het Filmfestival in Oberhausen met zijn 6 minuten durende film "Birds". Een feit waarover hij overigens niets over mocht vertellen tijdens zijn lessen op de akademie. Die gingen over het maken van uitsnedes: hoe zet je bijvoorbeeld een kartonnen verpakking voor een literpak melk in elkaar. Maar we waren fans en kenden zijn werk dat bijvoorbeeld werd vertoond in het van Abbe Museum in Eindhoven. Tussen de lessen door schreef hij voor mij het recept uit voor het ontwikkelen van 16mm film, welke chemicalien ik bij de apotheek moest halen en waar ik die Russiese (Sputnik) ontwikkeltank kon kopen. Met een oude 8mm camera van mijn vader kon ik nu zelf gaan experimenteren: s'morgens een filmpje opnemen, s'middags ontwikkelen en s'avonds afdraaien. Dat deed ik vaak samen met studiegenoot Jan van Delft, waarmee ik ook in hetzelfde studentenhuis woonde. Het bovenstaande filmpje, een clip van de band MoonYard, wat ik maakte in 2015, bevat beelden uit 1970. Marc Volger en Astrid Wijn spelen een rol in een eerste poging tot een gedramatiseerde filmvertelling. Opgenomen op Terschelling waar de opa van Marc een boerderijtje bezat en waar we een paar keer met studiegenoten op vakantie gingen (zie foto onder). Ik had ooit de moed om de oorspronkeleijke film aan Frans Zwartjes te laten zien. "Ja, het beweegt" was zijn commentaar.

Een witte laboratoriumjas.

Er was een werkplaats voor keramiek. Een belangrijke pijler van de akademie, maar na wat mislukte pogingen om op een draaischijf een pot te maken, liet ik me daar al gauw niet meer zien. Een groot aantal docenten zat er al jaren, en spraken een taal die door veel studenten niet begrepen en in hun toon niet meer gewaardeerd werd. Hun houding moest gezag en autoriteit uitstralen en de suggestie bevestigen dat we als eerste jaars werkelijk niets in te brengen hadden. Er werden merkwaardige colleges gehouden die door moesten gaan voor een mix van kunstgeschiedenis en ontwikkelingspsychologie (Meerens). Binnen het begrip algemene beeldende vorming hadden anderen een plek als docent tekenen (Rademakers), beeldende vorming (Brokke) of schilderen (Jan Gregoor). Fotografie werd er ook gegeven op de akademie in Eindhoven, maar dat moest geheel volgens de regels van de techniek. Door de cleane fotografiewerkplaats liep een strenge werkplaatsassistent rond in een witte laboratoriumjas, die je op geen enkele manier de ruimte gaf om zelf wat uit te vogelen. Gelukkig was er ook een reddende engel op deze opleiding en dat was Frans Smeets (Fransje). Niemand wist meer wat hij daar nu precies deed op die akademie. Hij was de broer van de directeur René Smeets, waarvan ook iedereen zich over afvroeg wat die man daar nu precies deed. Frans Smeets beheerde de zolder van het academiegebouw. Daar werd niets mee gedaan (of had hij er zelf een atelier?). In ieder geval: van hem kregen Jan en ik toestemming om daar een doka te bouwen. Slechts weinigen wisten hiervan, een enkele medestudent kwam er ook wel eens foto's afdrukken. Maar het was voor Jan en mij vooral een plek om geheel onze eigen gang te gaan en ons nauwelijks meer te laten zien tijdens de reguliere lessen.

Medezeggenschap.

Al gauw vonden we aansluiting bij een aantal ouderejaars, die er echt werk van maakten om te proberen de akademie om te turnen. De vergaderingen vonden plaats in een obscuur studentenhuis (commune) waar flink geblowd werd. Er werden pamfletten geschreven en op een oude stencilmachine vermenigvuldigd. Kunstenaars moesten vooral uit hun ivoren toren komen en zich veel meer moeten gaan bezighouden met maatschappelijke aspecten. "Medezeggenschap" en "Maatschappelijk engagement" waren de sleutelwoorden. Kunst aan het volk: weg met het idee dat alleen een bepaalde elite zich met kunst en vormgeving mocht bezighouden. Kunst als een manier om jezelf te ontplooien.

Scooterette.

René Smeets zou in 1971 met pensioen gaan. Het was een goed moment om gehoor te geven aan een groot aantal wensen van de studenten en verschillende docenten. Maar de keuze voor een nieuwe direkteur viel uit voor een van de gevestigde docenten: Wim Gilles (Alkmaar, 1923 - Ottawa, Canada, 2002). Een man die zogezegd zijn sporen had verdient als industrieel ontwerper. Hij werd in een adem genoemd met Piet Zwart van de Bruynzeel keukens en geld als een van de eerste industrieeele ontwerpers in Nederland. Hij ontwierp o.a. een opvouwbare scooter: de "Scooterette", die het overigens nooi verder bracht dan een prototype. Hij werd bekend door de kachels en wandkachels van geperforeerd staal staal voor de DRU., waar hij vanaf 1949 al in dienst was. Bekend is ook zijn keukenemail: met name de confetti-serie. Deze informatie kun je nu makkelijk vinden op internet. Maar van dat alles wisten wij niets als nieuwbakken studenten op een akademie waar toch al niets meer zeker was. Er woedde een verhitte discussie over doelstellingen en uitgangspunten. Maar Gilles kwam en overwon, hij was een van de hardliners. Eenmaal aan de macht maakte hij meteen korte metten met alle nieuwlichterij en revolutionaire ideeën. De akademie moest weer gaan doen waar hij voor opgericht was: het opleiden tot industrieëel vormgever. Iedereen kreeg een paar maanden de tijd om zich te conformeren aan dit idee. Was je het er niet mee eens dan kon je vertrekken. Dat gold voor de studenten, maar vooral ook voor de docenten. Het kwam er op neer dat bijna de helft van de studenten vertrok. Veel mensen zochten hun heil in Breda en studeerden er verder aan St. Joost Akademie. Maar er vertrokken ook een repectabel aantal docenten, waaronder de eerder genoemde Wildenberg en Zwartjes.

De mare ging rond dat er in Enschede een tamelijk anarchistische kunstopleiding was. Op deze school zou je kunnen doen en laten wat je zelf voor ogen stond.