De Egmond Gitaar

Een project van Siert van den Berg, schilder en filmmaker in 's-Hertogenbosch. Gemaakt in samenwerking met Chris van Dijk.

Deel 2: "Der Kongress Tanzt".

Traditie en kwaliteit.

Ik heb geprobeerd te achterhalen waarom Egmond zo groot heeft kunnen worden, maar vooral ook wat er is misgegaan. Een van de belangrijkste redenen is volgens mij dat de Egmonds in Best zich niet goed realiseerden dat het bouwen van muziekinstrumenten in een eeuwenoude traditie staat. Gitaren vormen daar geen uitzondering op: Antonio Stradivari bouwde in de 18e eeuw behalve violen ook al schitterende gitaren. Concurrenten van Egmond zoals het Duitse Höfner of het Zweedse Levin hielden die traditie hoog en hoewel ook zij probeerden hun producten zo goedkoop mogelijk te vervaardigen zouden ze niet gauw concessies doen aan de kwaliteit.

In dit 2e deel van de documentaire blijkt ook dat rond 1815 de gitaar min of meer het populairste instrument van die tijd was. Wenen was toonaangevend op dat gebied, er waren meerdere gitaarbouwers gevestigd en er werd op grote schaal bladmuziek uitgegeven voor gitaar. Tijdens het Congres van Wenen in 1814-1815 werden regelmatig concerten gegeven: concerten voor gitaar en orkest. Er werden in die tijd ook al lesmethodes ontwikkeld en op grote schaal uitgegeven. Hier ligt de basis voor wat wij nu nog altijd zien als “klassieke” gitaarmuziek.

Marneukirchen.

In dit deel besteed ik veel aandacht aan de zogenaamde "Musikwinkel" en met name het plaatsje Marneukirchen in Duitsland. Hier ligt niet alleen de bron van het succes van de Europeese muziekindustrie, maar ook die van b.v. Amerikaanse gitaarbouwers als C.F. Martin. In de film is geen plaats voor een gedetailleerd verhaal als dat van de Duitse schrijver Helmar Meinel over het stadje Markneukirchen, wat net na de 2e Wereldoorlog in de zgn. Ostzone kwam te liggen, het gebied waar de Russen het voor het zeggen kregen. Daarom hieronder het verhaal van de Duitse journalist Helmar Meinel (geb. 1928), waarin hij vertelt hoe Markneukirchen voor een praktisch onmogelijke opdracht kwam te staan: duizenden muziekinstrumenten leveren aan Rusland als herstelbetaling.

Russische “koopjes” uit de “Musikwinkel” Geschreven door Helmar Meinel. Overgenomen van de website www.slaggitarre.de

Voor de stevige marsmuziek, die na de oorlog door de Russische overwinnaars van het Duitse Rijk werd gespeeld, moesten de verliezers zelf de pauken en trompetten aanleveren. Als herstelbetaling eiste de Sovjetunie tussen 1946 en 1949 de levering van meer dan 50.000 muziekinstrumenten uit de door hen bezette gebieden, waaronder de complete uitrusting voor 500 fanfarekorpsen.



Deze oude prentbriefkaart laat de markt en de kerk van het stadje Markneukirchen zien: eens een belangrijke hoeksteen van de zogenaamde “Musikwinkel”: het gebied ten zuid-oosten van Leipzig. Een idyllische streek die ook wel Vogtland wordt genoemd, langs de Tsjechische grens in het zuidelijkste puntje van Duitsland, wat na de oorlog tot “Oostzone” werd benoemd.

Met name Markneukirchen was al in de zeventiende eeuw befaamd om zijn muziekinstrumenten. De kennis die hiervoor nodig en in bijna elk huis aanwezig was werd van generatie op generatie doorgegeven. Maar in 1945 was er van dit artistieke ambacht bijna niets meer over.

Markneukirchen was rond 1900 de rijkste stad van Duitsland, met de meeste miljonairs per hoofd van de bevolking. Het hield er zelfs een eigen Amerikaans consulaat op na vanwege de export naar dat land. Na de 2e Wereldoorlog was de tijd voorbij dat 80 procent van alle orkestrale instrumenten in de wereld uit de “Musikwinkel” kwam.

Veel (meester)bouwers van muziekinstrumenten waren omgekomen in de oorlog, zaten gevangen of waren al eerder vertrokken naar het Westen. Zoals overeengekomen in de zomer van 1945, trokken de Amerikanen zich terug uit het Voigtland en verplaatsten zich naar Beieren, terwijl het Rode Leger met paard en Panjewagen er binnentrok. De nieuwe bezetters hadden een bijna kinderlijke vreugde in het maken van muziek. Hun waardering voor het artistieke werk van de instrumentmakers, als onderdeel van de “Kultura”, was ook bijzonder groot. Maar helaas hadden ze maar weinig oog voor de desolate situatie waarin de muziekindustrie zich bevond. De herstelbetaling die aan Markneukirchen werd opgelegd kwam neer op de levering van 3000 gitaren per jaar, 2000 mandolines, 500 balalaika's, 500 domras (dit zijn driesnarige Russische tokkelinstrumenten). Daarbij kwam de bijna onmogelijke opdracht voor de levering van de complete uitrusting van 125 blazersorkesten met elk 23 instrumenten, van de tuba tot de piccolo. Het naburige stadje Klingenthal moest duizenden exemplaren voor de populairste Russische volksmuziek, de accordeon, vervaardigen.

De Russen waren geenszins uit op massaal industrieel vervaardigde instrumenten, maar eisten de hoogste kwaliteit. De meeste van de werkplaatsen waren echter relatief kleine familiebedrijven, bovendien er was er een enorm gebrek aan allerlei materialen. Er was geen (goed) hout beschikbaar, geen geschikte metalen en nauwelijks voldoende gereedschappen. De vereniging van muziekinstrumentenbouwers van de stad moest een ritselaar inhuren, een 'Materialnik'. De keuze viel op de net uit de oorlog teruggekeerde Herbert Roth, die vervolgens de hele oostelijke zone afstruinde om maar iets te pakken te krijgen. Toen hij hulp vroeg bij het kantoor van de Sovjet Militaire Administratie van Duitsland (SMAD) in Berlijn-Karlshorst of in Dresden, stuitte hij op een speciaal systeem van de Russen om dit soort lastige vragenstellers op afstand te houden. Niet alleen hadden de Russen de “introductie van de wereldrevolutie” in hun zone op zich genomen, ze vonden nog een “weldaad voor de mensheid” uit: de eerste "hotline" in de geschiedenis. Hoe het werkte, beschreef Roth in 2009 in zijn nagelaten privédossiers:

"Op een buitenmuur van het gebouw - we noemden het in die tijd de Klaagmuur - hingen een paar telefoon toestellen, en daarmee moest je een gesprekspartner zoeken in het gebouw. Dat was niet gemakkelijk vanwege de taalproblemen. Deze meneer of mevrouw moest allereerst toestemming geven voor een toelatingsbewijs. Vaak was het daarna in weer of geen weer urenlang wachten. Was je eindelijk binnen dan kreeg je op z’n best een formulier mee wat zgn. recht gaf op bijvoorbeeld een zekere hoeveelheid van een bepaald soort metaal, maar uiteindelijk bleek het niets meer dan een stuk waardeloos papier te zijn. "

De vaste leveringsdata in het Vogtland werden door de Duitse “dwangondernemers” altijd met grote spanning tegemoet gezien. Herbert Roth vatte het samen in één zin: "De Russische inspecteurs konden heel gevaarlijk zijn!" De Russen kwamen aanrijden met grote, vaak open legertrucks met een officier en vier tot vijf soldaten van Rode Leger. De inspectie van de goederen vond plaats door willekeurige steekproeven te nemen en was zeer nauwgezet. Een van de officieren, zo’n figuur met een klassieke Russische opvliegendheid die Roth zelfs 50 jaar later nog overstuur maakte, beklaagde zich vloekend en scheldend over een beetje lakschade. Hij smeet het instrument op de grond en vertrapte het met zijn laarzen tot aanmaakhout. Het "Stalin-orgel" was de geheime bijnaam van deze schurk.

De Russen waren een stuk minder kieskeurig voor het transport van de kwetsbare instrumenten. Zo hadden ze geen kratten nodig, zoals gebruikelijke was, maar verpakten ze de mandolines of gitaren gewoon in papieren zakken en stapelden ze nauwkeurig op elkaar, slechts gescheiden door één laag golfkarton. Als bekroning van de Sovjet-verpakkingskunst nestelde zich vaak nog een gemoedelijke maar robuuste soldaat van het Rode Leger in de laadbak bovenop de instrumenten - daarbij de verbijsterde Duitsers trakterend op een hartverwarmend afscheidslied van het genre "Kalinka, Kalinka ..." en soms zelfs met een paar saluutschoten om zijn Kalashnikov te verwennen. "Mandoline Bomber" noemden wij, als toenmalige middelbare scholieren, deze risicovolle transporten. De Russen waren echter niet te beroerd om ons als "rijschoolleerling", mee laten liften naar de provinciehoofdstad.

Het hoogtepunt van de overdrachtceremonie was altijd de "Kerstvergoeding". De Russische commandant, zoals Roth beschrijft, opende dan een zwaar bewaakte dikke leren tas en dumpte de inhoud op tafel: 50.000 tot 60.000 waardeloze oude Reichsmarken en later Ostmarken als aalmoes voor de instrumentmakers, waardoor het niet helemaal op socialistische uitbuiting leek. De geleverde instrumenten waren echter meestal tien keer zo veel waard, om over de waarde op de zwarte markt nog maar te zwijgen.

De laatste levering van deze “koopjes” aan de Sovjet-Unie vanuit de Musikwinkel vond plaats in 1949. Na de oprichting van de DDR in oktober van dit jaar zag Moskou verder af van de herstelbetalingen.

Meer dan een halve eeuw later, in het jaar 2001, kwam de cirkel voor mij rond. In dat jaar lag een deel van de Russische Zwarte zee vloot voor anker in Sevastopol, waar ik toevallig ook was als vakantieganger. In het kader van een culturele uitwisseling gaf een Russisch orkest een uitstekend concert. Tijdens de pauze kon ik op een aantal van de goed onderhouden instrumenten duidelijk de “Markneukirchen” merktekens zien en zelfs enkele meestertekens.


Oorspronkelijke titel: Russenschnäppchen im Musikwinkel von Helmar Meinel. Dit verhaal is overgenomen van de website schlaggitarren.de hoofdstuk: Historie en vertaald door Siert van den Berg.


Nog een verzamelaar: Theo van den Berg.

Hieronder een gesprek met Theo van den Berg, een van de grootste verzamelaars van Egmond gitaren. Ik vroeg hem waarom Egmond zo veel verschillende modellen heeft gemaakt.


Siert van den Berg (1947) studeerde grafische vormgeving aan de AKI in Enschede, met als specialisaties film en fotografie. Lang was hij werkzaam als poppenspeler, reisde met zijn eigen gezelschap langs scholen en theaters in Nederland en België. Daarnaast had hij een eigen theater in Zutphen. Vanaf 2014 woont en werkt hij in 's-Hertogenbosch en maakt hij films en schilderijen. ("Mijn schilderijen" : rechtsboven in het menu).

Op Youtube en Vimeo kun je al mijn films zien. Op deze site uitsluitend het meest recente werk. "De Egmond Gitaar" is "A work in progress".